Heleen Herbert minister van Economische Zaken en Klimaat
26
VVD
23
AI Samenvatting · niet door de Tweede Kamer
Martens-America wil dat NADI zo ver mogelijk van de politiek af staat en zelf keuzes maakt over projecten, budget en vestigingsplaats.
Martens-America vraagt of NADI eerder dan halverwege 2028 kan starten en wat nodig is om vóór de officiële start een tweede proefproject op te zetten.
Martens-America is niet principieel tegen de vier gekozen aandachtsgebieden, maar vraagt hoe NADI ruimte houdt om zelf keuzes te maken als de politieke voorkeur verandert.
Martens-America wil dat NADI werkt aan risicovolle innovaties en vraagt hoe de evaluatie rekening houdt met het mislukken van projecten.
Martens-America vraagt hoe bedrijven uit NADI kunnen doorgroeien en of opbrengsten uit succesvolle projecten later kunnen worden gebruikt voor nieuwe projecten.
Lee van der wil dat de politiek richting geeft aan de gebieden waarbinnen NADI uitdagingen formuleert, maar niet aan de technologie waarmee teams oplossingen zoeken.
Lee van der vraagt hoe Nederland en Europa kunnen profiteren van kennis en innovaties uit NADI, vooral als die later met overheidssteun worden opgeschaald.
Lee van der vraagt hoe NADI kan samenwerken met andere instellingen en Europese initiatieven, en hoe de Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Lee van der vraagt om uitleg over de keuze voor de juridische vorm van NADI, vooral over openheid, eigendom van innovaties en de wet op topinkomens.
Lee van der vraagt hoe NADI beschermd kan worden tegen politieke ingrepen in het budget, zoals volgens Lee van der bij het Groeifonds is gebeurd.
Oualhadj is blij met de komst van het NADI en hoopt dat het agentschap oplossingen vindt voor maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering en de energietransitie, zonder vooraf strikte grenzen te stellen aan de onderwerpen.
Oualhadj vraagt of het NADI naast wedstrijden tussen onderzoeksteams ook één team gericht aan een programma kan laten werken.
Oualhadj vraagt hoe de overheid als eerste klant van NADI-uitvindingen kan optreden en welke aanpassingen van de aanbestedingsregels daarvoor nodig zijn.
Oualhadj vraagt om plannen voor langdurige financiering, bijdragen van andere ministeries en Defensie, en het opnieuw inzetten van opbrengsten uit succesvolle innovaties.
Oualhadj wil dat de rapportage over het NADI ook inzicht geeft in het gebruik en de verspreiding van open data en kennis met een open broncode, ook wanneer projecten niet slagen.
Schenk is voorzichtig positief over het NADI, maar vindt dat innovatie vooral bij het bedrijfsleven moet liggen en dat het agentschap innovatie zo breed mogelijk moet ondersteunen.
Schenk vindt dat het NADI geen klimaat- en diversiteitseisen aan bedrijven moet opleggen en vraagt waarom het kabinet kiest voor vier economische domeinen.
Schenk vindt Engels als voertaal en het aantrekken van buitenlands talent geen goed idee en stelt voor dat buitenlandse medewerkers Nederlands leren.
Schenk vraagt hoe de resultaten en de besteding van overheidsgeld worden beoordeeld en hoe kan worden ingegrepen als het NADI niet goed werkt.
Schenk vraagt of het NADI privaat kapitaal kan gebruiken en met een startersbeurs kan samenwerken, en vraagt een tweeminutendebat aan om voorwaarden voor het agentschap te bespreken.
Berg van den steunt de ambitie van NADI en wil deskundigen zelfstandig projecten laten kiezen, binnen vooraf vastgestelde regels voor publiek geld.
Berg van den vindt dat deskundigheid, doorbraakpotentie en verwachte economische of maatschappelijke opbrengst de keuzes moeten bepalen, en verzet zich tegen selectie op geslacht of afkomst.
Berg van den vraagt hoe NADI zich verhoudt tot bestaande instellingen en fondsen, wie het overzicht bewaakt en welke taken of instellingen kunnen worden samengevoegd of opgeheven.
Berg van den vraagt de minister geld uit te trekken voor kwantumtechnologie en ziet ruimte voor NADI om kansrijke innovaties sneller toe te passen.
Berg van den stelt voor om binnen bestaande programma’s en budgetten te starten, mogelijk vanaf het eerste kwartaal van 2027, en de organisatie onderweg op te bouwen.
Bühler is blij met de komst van NADI en wil dat de organisatie zelfstandig risicovolle experimenten kan uitvoeren, met voldoende ruimte, snelheid en talent.
Bühler wil dat NADI bedrijven helpt om succesvolle technologie op de markt te brengen en vraagt welke middelen de organisatie daarvoor krijgt.
Bühler stelt voor om innovatie in een vroege fase bij NADI en Defensie te combineren en de samenwerking te testen in de pilot veiligheid en weerbaarheid.
Bühler wil specifieke aanvragen van Defensie in een latere ontwikkelfase gescheiden houden van de vroege innovatie bij NADI.
Bühler is voorstander van een staatsdeelneming en vraagt de minister hoe NADI de resultaten kan laten beoordelen naar het voorbeeld van SPRIND.
Dassen vraagt de minister of geld naar voren kan worden gehaald om eerder meer in het NADI te investeren.
Dassen vindt een groter budget nodig, omdat al 40 miljoen euro is vastgelegd voor de ontwikkeling van energiezuinige chips met het Duitse SPRIND.
Dassen vraagt hoe het NADI past naast het Nationaal Groeifonds en de nationale investeringsinstelling, zodat deze elkaar versterken en niet in de weg zitten.
Dassen is blij met de oprichting van het NADI en vindt het belangrijk om via innovatieve competities technologieën en goede ideeën vroeg te stimuleren.